Tot wederziens

Kind, niet weggaan zonder kus.
Want stel.
Je hebt me de huid vol gescholden.
Wil ik alsnog tot wederziens.
En stel.
We hebben lief en leed naar elkaar gesmeten,
haren onder elkaars nagels vandaan getrokken,
als dieren in elkaars armen gebeten,
als ouderen star naar de muur gekeken.
Wil ik alsnog tot wederziens.

Een kus, gemeend of niet.
Soms doen we maar alsof,
ik zie het, je meent het niet.
Maar stel.
Heb ik je uitgemaakt voor wat niemand van ons ziet,
heb jij jouw wederziens.

Kan je toch niet achterlaten
met een stel dat, wat als of had ik maar.
Dus geef ik je maar
de meest ongemeende kus met de lippen strak op elkaar.
Maar heb dan toch nog
jouw tot wederziens.

Lief, verlaat me nog niet.
Bij mijn moeder deed ik dat ook niet.
Druk jouw liefde nog één keer tegen de mijne.
Ik grijp nog even jouw hart voordat we, verdwijnen.
De deur achter je dichtgedaan
opgegaan in de wintermist.
Maar dit, dit is toch, tot wederziens?
Ik ga je toch weer zien?

De angst van mijn moeder en vader is onder mijn huid gekropen.
Weet nu waar die drang vandaan is gekomen.
Die onvoorwaardelijke liefde voedt het plantje in mijn achterhoofd wat gelooft in al het kwaad wat achter de voordeur schuilt.
Gooi de deur achter me dicht,
ben weer kwaad geworden om het kleinste detail.
Dus nu twijfel ik, laat ik je achter?
Een kus, gemeend of niet.
Ik snak naar jouw tot wederziens.

Die bevestigende kus is nu mijn talisman van geluk.
Een levensverzekering die ons allen belooft weer te herenigen na een fractie van tijd tussen jou en mij.
Een gelukspopje waarin ik stevig knijp voordat ik de weg op ga.
Want vertrouwen in de vreemde wereld heb ik blijkbaar niet.
Ik smeek om jullie tot wederziens.
Wil jullie toch weer zien?
Een kus, gemeend of niet, ik ga je toch weer zien?
Kan mezelf toch niet achterlaten met een,
stel dat, wat als of had ik maar?
Kan de verantwoordelijkheid niet dragen van,
stel dat, wat als en had ze maar?

Want stel.
Stel dat.
Stel dat ik maar.