de Intercity

Ik heb ontelbare kleuren door mijn vingers laten glijden.
Kleurplaten gekleurd met enkel zwart en wit.
En elke stukje natuur wat zich om mijn voeten heen bevind heb ik genegeerd.

Ik ging voor, grootse ervaringen.
Het avontuur in mijzelf vinden.
Naar de sterren en daar voorbij.
Terwijl ik tussen de toppen van mijn vingers de mooiste verhalen kan vinden.
Met de toppen van mijn vingers kan ik de kleinste verhalen vinden.
Met de toppen van mijn vingers kan ik me in verhalen bevinden.
Klein is vaak belangrijker dan het grote goed.

Ik fietste of liep niet.
Ik struikelde niet.
Want ik raasde als een trein aan alles en iedereen voorbij.
De wereld is van mij en ik heb te weinig tijd om de randjes aan te raken.
Maar zonder het te merken denderde ik over grenzen en ging ik keer op keer op keer op keer op keer op keer op keer op keer kopje onder.

Heb je ooit een trein kopje onder zien gaan?
Ik ook niet, totdat er iemand aan de noodrem trok.

Daar stond ik dan.
Het stoom van mijn trein kwam nu uit mijn keelgat.
Het water stond boven het peil in mijn ogen en de olie stroomde uit mijn neusgaten.
Het ritmische geluid van metaal op treinrails kaatste nu met horten en stoten tegen de binnenkant van het treinstel.

Mijn lijf was voor mijn eigen locomotief gesprongen.

Als je met zulke snelheden over de rails heenrijd luister je niet naar wat de seinen je proberen te vertellen.
Je hoort alleen de wissels van het spoor.

Terug naar de eerste versnelling.
Terug. Van treinstel naar mijn eerste auto.
Maximaal 50 km per uur en bewust zijn van wat er in die bubbel gebeurd.
Ik kan me niet meer laten meevaren op vooraf gelegde paden maar trek nu zelf aan het stuur.

Soms moet je ontsporen om alles weer op de rails te krijgen.
Kopje onder gaan om te leren hoe je kunt drijven.
Weer inzien dat de stad ook uit natuur bestaat.
Voelen hoe de wind tussen de hoge flats door blaast.
Ruiken aan de rozenstruik van de buren en daar elke dag bij stilstaan.

De schoonheid van het leven zit in een klein hoekje.
Dus rijd er niet voorbij.