Soldaatjes

Het was zo warm.
Zo warm dat het leek alsof de pareltjes zweet die op je bovenlip rusten,
kilometers moesten afleggen tot ze het hoogste punt van je lip bereikten om dan in één keer over de rand, in je mond te glijden.
Zo warm was het.

Het was zo warm.
Zo warm dat je knieholtes in pierenbadjes veranderden waarin kleuters en peuters en dreumesen in stonden terwijl hun ouders toekeken vanaf de rand.
Zo warm.

Het was zo warm, maar alleen in de breedte en diepte van mijn lichaam.
Het was altijd warm wanneer ik wist dat ze kwamen.
En nu wist ik, ze komen eraan.

Ze komen eraan, ze komen eraan.
Ze komen altijd in grote getalen.
Marcherend in rijen van even getallen.
2, 4, 6 maar nooit 8. Want 8 is altijd mijn geluksgetal geweest.

Ze marcheren heen en weer.
Over mijn ruggengraat, mijn nekspieren, over de plekken van mijn lichaam waar ik niet bij kan.
Maar altijd aan de achterkant.
Want aan de voorkant transpireer ik het meest, dus glijden ze niet uit.
Ik voel de miljoenen laarsjes samensmelten in één grote druk die wordt uitgeoefend op mijn lijf.
Ze doen het altijd in stilte.
Geluidloos.

Ze komen altijd onverwachts.
‘s Ochtends, ‘s avonds, ‘s middags, ‘s nachts?
Tussen boterham en koffie.
Tussen tanden poetsen en naar bed gaan.
Tussen opstaan en muesli.
Tussen thuiskomen en weggaan.
Ze komen áltijd. En daardoor altijd onverwachts.

De miljoenen laarsjes masseren niet maar boetseren mijn flexibiliteit in rotsblokken.
Ze verstijven iedere lenigheid die ik bij yoga heb bereikt waardoor ik een levend standbeeld wordt.

En je weet nooit hoelang ze blijven.
Blijven ze slapen?
Moet ik bij wijze van, ontbijt voor ze klaarzetten?
Koekje bij de koffie?
Hagelslag of pindakaas?
Of zijn ze meer van hartig of vegetarisch?

Ze komen.
En ze zijn al zo vaak langs geweest en toch ken ik ze nog steeds niet.
Ze schudden nooit je hand.
Zeggen nooit hallo.
Want hallo is niet onverwachts.
En als je aangeeft of je blijft slapen kun je anticiperen op hun bezoek.

Ze komen eraan en ik kan me niet voorbereiden op wat er gaat komen.
Een levend standbeeld kan soms wisselen van positie maar is ben bevroren.
Met minuscule touwen en naaldjes zetten zij mij vast aan de grond.
Mijn handen worden vastgebonden en ik verander in een enorme toren die zij blijven beklimmen.

Ze herhalen altijd dezelfde paar centimeters die voor hen aanvoelen als de afstand tussen Nederland en Frankrijk.
Terwijl we het eigenlijk hebben over een niet veel grotere tocht dan het begin en het eind van vier handpalmen.

Als ze weggaan, hoop ik altijd dat ze nooit meer terugkomen.
Dat ze ergens anders gaan huisvesten.
Een gedeelde flat vinden in een lichaam ver weg van mijn tempel.
Dat ze een kraakpand vinden ver buiten de ring waar niemand last van ze heeft of een eilandje waar geen mens leeft zodat ze nooit meer op een lichaam hoeven te marcheren maar eindeloos veel zand hebben om hun laarsjes in te begraven.

Ik hoop dan, dat de wind zo hard waait, dat de afdrukken van hun zolen verdwijnen,
dat ze vergeten dat ze daar ooit zijn geweest.
Dat het eiland dan een eindeloze ontdekkingstocht voor ze
blijft.
Dat ik niet meer hoef te zweten.